3.3.7 Bepalen van toestanden en toestandsovergangen

Je vond het misschien lastig om te bepalen welke toestanden er zijn bij het maken van een toestandsdiagram voor een hotelschakeling. Je kunt uitgaan van de lamp, die heeft twee toestanden. Je kunt ook uitgaan van de schakelaars, dan zijn er 2 x 2 = 4 toestanden. Beide zijn op zich goed. Kijk ook goed naar de toestandsovergangen. Er zit een verschil tussen deze twee toestandsovergangen:

  • schakelaarA gaat om
  • schakelaarA is aan (of: schakelaarA is uit)

In het eerste geval kun je voor de hotelschakeling uitgaan van twee toestanden (lamp is aan of lamp is uit). In het laatste geval kan dat niet (probeer het maar eens).
Je moet dus goed kijken naar de toestandsovergangen. Bij een tuimelschakelaar (zie plaatje) kun je de volgende toestandsovergangen bedenken:

  • schakelaar is aan
  • schakelaar is uit
  • schakelaar gaat aan (was eerst uit)
  • schakelaar gaat uit (was eerst aan)
  • schakelaar gaat om (van aan naar uit of andersom)

Bij een drukknopje (denk aan een deurbel) kunnen dit de toestandsovergangen zijn:

  • drukknopje is ingedrukt (iemand heeft zijn vinger op dit moment op het knopje)
  • drukknopje is niet ingedrukt (niemand heeft zijn vinger op dit moment op het knopje)
  • drukknopje wordt ingedrukt (was eerst niet ingedrukt en nu wel)
  • drukknopje wordt losgelaten (was eerst wel ingedrukt en nu niet)
  • drukknopje wordt ingedrukt en weer losgelaten (was eerst niet ingedrukt, toen wel en nu weer niet).

Je ziet, het verschil is subtiel.
3.3.7.1 Oefenopdracht: drukknop